Een sauna thuis: waarom buiten bijna altijd beter uitpakt dan binnen

Wellness thuis begon tien jaar geleden in de badkamer. Een groter ligbad, een regendouche, misschien een infraroodcabine op zolder. Inmiddels verhuist het naar de tuin, en dat is geen smaakkwestie. Het is een rekensom over ruimte, ventilatie en vocht, en die pakt binnen vrijwel altijd slecht uit.

Wie overweegt een sauna in huis te plaatsen, loopt tegen drie dingen aan die buiten eenvoudigweg niet bestaan.

Binnen kost het een kamer, geen hoek

Een tweepersoons cabine vraagt ongeveer anderhalf bij twee meter, een comfortabele vierpersoons al snel twee bij twee en een halve meter. Daar komt bij dat je een plek nodig hebt om af te koelen en een douche binnen een paar stappen. In een doorsnee Nederlandse woning betekent dat een slaapkamer opofferen of een zolder volbouwen.

De hoogte is het tweede probleem. Een cabine is ruim twee meter hoog en wil daarboven lucht. Onder een schuin dak of in een kelder met beperkte stahoogte val je snel af, en juist daar is meestal de enige vrije ruimte.

In de tuin ligt die verhouding anders. Vierkante meters buiten kosten geen bouwkundige ingreep, geen aanpassing aan de thermische schil van de woning en geen vergunningtraject voor een interne verbouwing. Een cabine op een vlakke, draagkrachtige ondergrond is technisch eenvoudiger dan een badkamer verbouwen.

Vocht is de reden dat het binnen misgaat

Dit is het punt dat in showrooms zelden ter sprake komt en in de praktijk de meeste schade veroorzaakt. Een sauna brengt warme, vochtige lucht in een ruimte die daar niet op is ontworpen. Bij een traditionele sauna waar je opgiet, komt daar flink wat waterdamp bij.

Zonder gerichte afvoer slaat dat vocht neer op de koudste oppervlakken in de buurt: een buitenmuur, een raam, de hoek achter een kast. Het gevolg is schimmel, en in een goed geïsoleerde en luchtdichte woning gaat dat sneller dan in een oud huis dat tocht. Een binnensauna vraagt daarom mechanische afvoer met voldoende capaciteit, en dat is geen afzuigkapje maar een berekend systeem.

Buiten speelt dat niet. De damp gaat de buitenlucht in en de cabine staat op een geventileerde onderconstructie. Dat scheelt de hele installatietechnische discussie, en het scheelt het risico dat je het pas twee winters later ontdekt.

Wat buiten wel geregeld moet worden

De ondergrond komt eerst. Een cabine van vier personen weegt een paar honderd kilo en vraagt een vlakke, stabiele fundering: een betonplaat of een stelsel van poeren tot onder de vorstgrens, met een geventileerde ruimte onder de vloer zodat hout kan drogen. Direct op een terras op zand werkt niet, want ongelijke zetting trekt de constructie scheef en dan sluit de deur niet meer.

Daarna de stroom. Een elektrische kachel van zes tot negen kilowatt vraagt krachtstroom en een eigen groep, met een kabel vanaf de meterkast door de tuin. In een aangelegde tuin is dat een ingrijpender klus dan in een lege, dus wie ook maar overweegt ooit een cabine te plaatsen, legt bij aanleg een lege buis met trekdraad.

Bij een buitensauna in de tuin is de plaatsing zelf doorgaans snel gedaan, maar die twee voorbereidingen bepalen of het kan. Laat ze dus beoordelen voordat je een model kiest, niet erna. Een cabine die niet door de poort past of een groepenkast die vol zit, zijn ontdekkingen die je liever niet op de leverdag doet.

De plek bepaalt of hij gebruikt wordt

De belangrijkste vuistregel komt uit de praktijk en niet uit een brochure. Hoe verder de cabine van de achterdeur staat, hoe minder hij gebruikt wordt. Achter in de tuin, achter de schuur, met twintig meter tuinpad ertussen, klinkt bij het ontwerp rustgevend en is in januari precies de reden om het niet te doen.

Houd het traject kort en verhard, en liefst deels overdekt. Wie in badjas en op blote voeten naar buiten loopt, wil geen grind, geen gras en geen pad dat glad wordt. Een plek om een handdoek te hangen die droog blijft, hoort daar vanzelfsprekend bij.

Denk ook aan afkoelen, want dat is de helft van het ritueel. Een buitendouche, een dompelton of simpelweg een luwe zitplek in de buitenlucht maken het verschil tussen een cabine waar je twintig minuten in zit en een avond die daadwerkelijk ontspant.

Materiaal en onderhoud

Voor de buitenzijde geldt hetzelfde als voor ander tuinhout: duurzame houtsoorten of thermisch gemodificeerd hout vergrijzen en gaan jarenlang mee, mits ze niet permanent in een plas staan. Wie de warme kleur wil behouden, gaat jaarlijks oliën, en dat is een verplichting die je aangaat en niet halverwege kunt staken zonder een vlekkerig resultaat.

Binnenin wordt onbehandeld hout gebruikt, omdat lak en olie bij hoge temperaturen stoffen afgeven en bovendien heet worden op de huid. Espen, els en thermisch behandeld populier zijn gebruikelijk omdat ze weinig warmte geleiden. Onderhoud bestaat vooral uit laten drogen: deur open na gebruik, en een keer per jaar de banken licht opschuren.

Eerst erin zitten

Het klinkt vanzelfsprekend en gebeurt zelden. Het verschil tussen een traditionele sauna en een infraroodcabine is voor het dagelijks gebruik groter dan welke specificatie ook: de eerste werkt met hoge luchttemperatuur en opgieten, de tweede met stralingswarmte bij een veel lagere temperatuur. Wie elke avond een half uur wil, kiest vaak anders dan wie twee keer per week een ritueel wil.

In grote showrooms kun je dat beoordelen. Bij Van Beem Buitenleven in Zwanenburg staan cabines opgesteld in complete tuinopstellingen, waardoor je meteen ziet hoeveel ruimte de zone eromheen werkelijk vraagt zodra er ook een pad, een douche en een zitplek omheen liggen. Dat getal is op een tuinontwerp bijna altijd te optimistisch ingetekend.

 

Vind je dit artikel leuk?

Share on Facebook
Share on Twitter
Share on Linkdin
Share on Pinterest

Gerelateerde berichten